Nederlands*Did Not Finish ofte “ik ben komen opdagen, heb het geprobeerd en onderweg een andere keuze gemaakt – geen mislukking, maar een verhaal met karakter”.
12 april 2026. Cannes. Zon, zee, wielertoeristen met klikpedalen… en ik. Op loopschoentjes en gewone pedalen op mijn fiets want het idee dat ik te laat zou losklikken geeft me stress. Minstens evenveel stress krijg ik van het besef hoe ik hier opdaag vandaag: licht ondergetraind, meer overgewicht dan ik gehoopt had tegen nu (Bart Peeters weerklinkt in mijn achterhoofd: Ooooooh konijneneten…) en zwaar overtuigd dat vandaag goed komt – hoe dan ook. Ik ga immers voor de niet-competitieve “medium course” van de GFNY waar geen tijdsregistratie geldt, enkel opdagen en volhouden. Dat moet goedkomen!
Spoiler alert: het is goedgekomen. Alleen niet op de manier die ik vooraf had bedacht.
De weg naar vandaag was… hoe zal ik het zeggen… karaktervormend. Blessures, griep, verkoudheden – de volledige seizoenscollectie. Met dank aan een vierjarige in huis die ziektekiemen beschouwt als Pokémon: gotta catch ‘em all. Training zat ergens tussen ambitie en realiteit in. Maar hé: ik was er. En daar ben ik trots op. Want als ik één ding wil dat mijn dochter onthoudt, dan is het dit: always show up. Ook (en vooral) op de minder goede dagen (zeker als die je wekker doen rinkelen om 6u ’s morgens op een vakantiedag).
Met de Mont Ventoux nog vers in de benen van vorige week (langs Sault – ja, de “mietjeskant”, maar kom, een Ventoux is een Ventoux) had ik mezelf wijsgemaakt dat het wel goed zou komen. Klein detail: ik heb daalangst. Om die reden heb ik de Ventoux alleen nog maar beklommen met een volgwagen die om de zoveel bochten stopt om te supporteren en mijn fiets aan het einde van de beklimming op de fietsendrager te laden zodat ik heerlijk op 4 wielen mee naar beden kan. De GFNY verbiedt eigen volgwagens, dus gaan met die banaan. Op een parcours dat praktisch volledig bestaat uit klimmen… en dan weer naar beneden gaan. Details.
De dag begon voor dag en dauw. Letterlijk. Eerste aha-moment: geen licht op mijn fiets. Conclusie: ik vertrek wanneer de zon dat ook doet. Tweede aha-moment: vestje of geen vestje? En zo ja, waar steek je dat als je vestje eerder een dekbed is? Dan maar zonder. Friskes, maar character building, weet je wel.
In de startzone werd het warmer. Niet meteorologisch, maar sociaal. 1300 man rond u: instant verwarming. Ik posteerde mij braaf achteraan. Niet uit bescheidenheid, wel uit zelfbescherming. Peloton rijden is niet mijn ding. Chaos vermijden is ook een sport.
Alleen… achteraan betekent ook: jij en de bezemwagen. En een ambulance. In het begin voelde dat als een VIP-escort. Tot die twee voertuigen in mijn kielzog aan de eerste beklimming begonnen en besloten dat stilte overrated is. Dat constante gevroem in mijn nek? Minder zen dan een mindfulness-app.
En dat op verschillende manieren:
1) Nog voor ik goed en wel beginnen klimmen was ging het al snel van “ik ben hier om te genieten” naar “waar heb ik mij in godsnaam voor ingeschreven?”. Mijn hartslag deed een intervaltraining zonder mijn toestemming, mijn hoofd begon Netflix-series te produceren en ergens op de achtergrond fluisterde mijn bomma zaliger: “Menneke, ge moogt de mensen niet lastig vallen.” Wel bomma, met die twee volgwagens in mijn nek voelde het alsof ik een complete file veroorzaakte. Zeker toen die immens moeite moesten doen om ongetwijfeld in eerste versnelling die berg op te rijden aan mijn tempo en dat zonder hun motor te oververhitten… Ik voelde me ambetant en wist wat Taibi Kahler te zeggen heeft over “please others” als “stem van het verleden”. Zoek het maar eens op!
2) Ik kende de berg niet, wist niet wat er nog kwam en begon mezelf zachtjes te saboteren. Voeg daar mijn daalangst aan toe (“hoe geraak ik hier straks weer naar beneden zonder een existentiële crisis?”) en je hebt het perfecte recept voor mentale kortsluiting.
Na bijna een uur had ik… 15 kilometer. Nog 45 te gaan. Op dat moment keek ik mijn benen aan. Die zeiden: “We kunnen nog.” Mijn hoofd zei: “We gaan dat niet doen.” En voor wie het nog niet wist: mijn hoofd heeft zo goed als altijd het laatste woord.
Dus ja. Halverwege de eerste beklimming stapte ik af.
Niet omdat ik niet meer kon. Maar omdat ik – heel eerlijk – geen goesting meer had.
Maar… Voor alle duidelijkheid: ik ben niet zomaar afgestapt. Ik heb eerst netjes dubbelgecheckt of ik toch wel een medaille zou krijgen. Want laten we wel wezen: prioriteiten. En laat me daar ook meteen iets over zeggen: die medaille heeft voor mij niets te maken met “het resultaat”. Ik heb de finish niet gehaald. Punt. Maar die medaille? Die staat voor de inspanning. Voor het opstaan op een uur waarop zelfs de zon nog twijfelt. Voor het opdagen zonder perfecte voorbereiding. Voor het proberen. En ja, daar mag gerust een stukje metaal aan hangen.
1. Opdagen is een skill. En ik ben daar vandaag grand cru in geweest.
2. Je hoofd is een krachtig instrument. Soms speelt het muziek die je oren streelt. Soms maakt het lawaai waar je knettergek van wordt en je goesting door verliest.
3. Ken je grenzen. En respecteer ze, ook als dat betekent dat je afstapt. Opgeven met geven hoofd noem ik dat.
4. Een DNF is geen falen. Het is een verhaal. En eerlijk? Veel interessanter dan gezwind de meet halen. Dit zijn de verhalen waar het nog jaren over gaat. De herinneringen die worden opgehaald. De drijfveer om verder te werken, beter te trainen en – wie weet – terug te komen en het opnieuw te proberen. Zo is het me met de Ventoux destijds ook vergaan: kotsend die berg op tijdens mijn allereerste beklimming ooit en nu met de glimlach.
En morgen? Morgen stap ik dus opnieuw op de fiets. Zonder bezemwagen in mijn nek. En op een iets vlakker parcours. Dat lijkt mij een goede next step in mijn groeiproces… 🚴♀️
